Een fiscale regularisatie heeft evenwel geen uitwerking als de betrokkene vóór de aangifte schriftelijk op de hoogte is gebracht van lopende specifieke onderzoeksdaden (art. 6 lid 3 wet van 21 juli 2016 en verwante bepalingen m.b.t. gewestelijke belastingen). Het verzenden van een vraag om inlichtingen valt daaronder. Wat dus concreet voor de belastingplichtige betekent dat hij uitgesloten wordt van de piste van de (spontane) fiscale regularisatie procedure bij het Contacpunt Regularisaties.
Op de vraag of fiscaal verjaarde kapitalen echt niet meer kunnen worden geregulariseerd ná een vraag om inlichtingen, antwoordde de minister recent dat een fiscale regularisatie toch mogelijk blijft: “De administratie heeft onlangs heel wat informatie gekregen over rekeningen van Belgen in het buitenland, onder andere via de nieuwe Common Reporting Standard. In sommige gevallen worden die rekeningen ook gebruikt om zwarte inkomsten te verbergen of om roerende inkomsten te ontvangen zonder de betaling van roerende voorheffing. Vooraleer een dossier naar het parket gaat, nodigt de BBI de belastingplichtige uit om zijn fiscaal verjaard kapitaal te regulariseren bij het Contactpunt regularisaties. Het onderzoek van de BBI en de vragen om inlichtingen gaan enkel over fiscaal niet-verjaarde periodes. De lopende onderzoeksdaden van de Belgische belastingadministratie betreffen dan ook louter niet-verjaarde inkomsten.” (Mond. Vr. nr. 23593 Roel Deseyn, 21 februari 2018, CRIV 54 COM 825 blz 1 en 2 ).
►Lees ook:
Vervolgens is er de situatie van diegenen die nog geen vraag om inlichtingen gekregen hebben maar rekening houden met de mogelijkheid dat er binnenkort een in de bus valt. Voor hen bieden de Minister van Financiën en het CPR nu een oplossing onder de vorm van een ‘provisionele aangifte’ in fiscale regularisatie, die achteraf kan worden aangevuld met de concrete cijfergegevens. Een Kamerlid wees de Minister er immers terecht op dat het voorbereiden van een regularisatieaangifte heel complex is en veel tijd vergt. Wat tot gevolg zou kunnen hebben dat een belastingplichtige de vraag om inlichtingen ontvangt vooraleer hij in staat is geweest om de aangifte effectief in te dienen. “De uitwisseling van informatie van bankgegevens vanuit onder meer Luxemburg en binnenkort ook Zwitserland, acties bij de BBI en diverse mededelingen van de topman van de BBI en uzelf hebben bepaalde belastingplichtigen zenuwachtig gemaakt, terecht trouwens, waardoor er een zekere urgentie is ontstaan om een fiscaal regularisatiedossier in te dienen. Het betreft veelal dossiers die in een vorige regularisatieronde onvolledig werden geregulariseerd, waarbij het kapitaal niet werd aangegeven. Belastingplichtigen wensen volledig in het reine te komen met hun verleden en zijn bereid hiervoor een omvangrijke heffing van 38 % te betalen. Ik heb vernomen dat dergelijke dossiers een grondige voorbereiding vergen wat de samenstelling van de onderliggende stukken en cijfers betreft en dat de aangevers in kwestie met erg lange wachttijden om de bankstukken te verkrijgen, worden geconfronteerd. Staat u het toe dat er aangiftes worden ingediend van één euro, waar de juiste bedragen na het verkrijgen van de bankstukken worden aangevuld? Een dergelijke werkwijze werd door het CPR reeds toegepast eind 2013, toen aangevers met een gelijkaardige problematiek werden geconfronteerd. Het zou hier dus ook een praktisch hulpmiddel kunnen zijn.” (Mond. Vr. nr. 24031 Johan Klaps, integraal verslag, CRIV 54 COM 844, blz. 34, https://www.dekamer.be/doc/CCRI/html/54/ic844x.html).
Volgens de minister is het mogelijk om een provisionele regularisatieaangifte in te dienen maar slechts onder strikte voorwaarden. Zo moet de aangifte worden ingediend uiterlijk op vrijdag 13 april 2018, en moeten sowieso alle actuele rekeningnummers en financiële instellingen worden vermeld evenals alle rekeningen en banken waarvan men op dat ogenblik kennis heeft. En men heeft 6 maanden de tijd om bewijsstukken bij te brengen.
Dit standpunt werd op 19 maart 2018 herhaald door het Contactpunt Regularisaties.